Verhalen van de politie: de bestelbus en de telefoon

Op de A28 tussen Zwolle en Nunspeet haal ik de bestuurder van een witte bestelbus in. Als ik weer voor hem rijd, zie ik dat de man met zijn rechterhand een telefoon vasthoudt. ‘Martin, kijk eens even naar achteren als je wilt, die knaap heeft toch een telefoon vast?’, vraag ik. Martin draait zich om en kijkt een moment naar de achterligger. ‘Ja hoor, overduidelijk!’, bevestigt hij, ‘we nemen hem mee naar het tankstation’. Op zeshonderd meter voor de afslag geven we de bestuurder achter ons het sein ‘politie volgen’. Hoewel de rood verlichte letters hun best doen, leveren ze niet de gewenste aandacht op. ‘Hij ziet het niet joh!’, roept Martin, ‘hij is zo druk met zijn telefoon bezig’. De man kijkt bijna onafgebroken naar het kleine schermpje en benut hierdoor de gehele rijstrook.

Op circa 200 meter voor de afslag valt het kwartje. We zien de richtingaanwijzer naar rechts aan gaan. ‘Nu heeft hij het pas gezien’, zeg ik. We zoeken een plekje op de parkeerplaats naast het tankstation en zetten de bestuurder stil. Als eerste meld ik me bij de bestuurder, die zijn portierraam al open heeft gezet. Net als anders maak ik me kenbaar als verkeerspolitie en vraag inzage van rij- en kentekenbewijs. Achter het stuur zit een relatief jonge knaap die me ongeïnteresseerd aankijkt. Met de mededeling, ‘u reed zojuist met een telefoon in uw rechterhand en daar krijgt u een bekeuring voor’, rechtvaardig ik de grond van staandehouding. ‘Telefoon….?’, vraagt de knaap gepikeerd, ‘waar baseert u dat op?’. Voor het onderdeel arrogantie vergaart de man veel punten. ‘Waar ik dat op baseer?’, parafraseer ik, ‘op datgene wat ik mijn ogen waarneem’. Terwijl ik het zeg, wijs ik met twee vingers naar mijn ogen. ‘En ik heb het óók gezien’, valt Martin, die er inmiddels ook bijstaat, me bij, ‘dus dat zijn er twee!’.

‘Hé’, merkt de man op, ‘ik ken u!’. ‘Ja’, antwoordt Martin, ‘ik ken u ook en daarom zou ik graag de NIWO eurovergunning en de verklaring van dienstbetrekking ter inzage willen hebben’. Het toeval wil dat Martin deze knaap onlangs bij een transportcontrole in Groningen ook heeft gecontroleerd. Toen had hij de documenten niet bij zich. Terwijl ik de bon opmaak ter zake het vasthouden van de telefoon, loopt Martin om de bestelbus heen. De knaap zoekt in de cabine naarstig naar de documenten. ‘Heb jij de profieldieptemeter bij je?’, vraagt Martin, ‘de voorbanden zijn ook aan hun eind’. Als we de profilering meten, blijken beide voorbanden onder de wettelijke norm van 1.6 mm te zitten. ‘Zo’, zegt Martin, ‘daar krijg je ook een bekeuring voor’, De knaap is inmiddels bij ons komen staan met de melding dat hij de papieren niet bij zich heeft.

‘Dat is dan de tweede keer!’, zegt Martin, ‘de vorige keer heb je beterschap beloofd, maar kennelijk heb je er niks van geleerd!’. De man hoort het gelaten aan en wordt er niet warm of koud van. Als we in de laadruimte hebben gekeken, komt voor de knaap de genadeslag. ‘Het betreft een recidive, want je hebt je zaakjes wederom niet voor elkaar’, gaat Martin verder, ‘dus ik zet hierbij het transport stil!’. Dit dringt wel door. ‘Je moet iemand bellen die de juiste documenten brengt en pas dan mag je verder’, deelt Martin hem onverbiddelijk mede. ‘Je mag een verklaring geven voor het telefoon vasthouden’, zeg ik, ‘maar dat ben je niet verplicht’. De man verklaart dat hij naar de navigatie keek. Een valide verklaring voor de gladde banden heeft hij niet. ‘Ik ben er op de zaak meteen mee weggereden’, is zijn verklaring.

Na hem nogmaals te hebben gewezen op de problemen die hij krijgt, indien hij toch verder gaat rijden, zetten we onze reis voort. ‘Dit gaat hem en het bedrijf een heleboel geld kosten’, weet Martin, ‘de vorige keer zonder vergunning rond de 4000 euro en bij recidive, zoals nu, het dubbele’. We begrijpen beide niet wat mensen ertoe beweegt om er een dergelijke bedrijfsvoering op na te houden. Evenmin begrijpen we dat er op de bus, een leaseauto, gladde voorbanden zitten. ‘Tja, op het gebied van bedrijfsvoering en verkeersveiligheid valt er nog veel voor hem te leren’, concludeert Martin. ‘en vergeet vooral zijn manieren niet!’, vul ik hem aan…