Verhalen van de politie: de kentekenplaat

Bert Luichies vertelt over zijn belevenissen als politiesurveillant. Deze keer een verhaal over een kentekenplaat en een trekhaak.

“Is het nou een R of een P?”, vraag ik Martin. We rijden op de A7 achter een personenauto, waarvan de trekhaak het zicht op de kentekenplaat ontneemt. Als we schuin achter de auto rijden kunnen we de letter R ontmaskeren, maar echt duidelijk is het allemaal niet. Aangezien we in de buurt van klaverblad Drachten rijden besluiten we de bestuurder bij de eerstvolgende afslag mee te nemen. Als we haar hebben ingehaald, gaat het bordje ‘politie volgen’ omhoog. Op een veilige plek zetten we de auto stil. Als we zijn uitgestapt komt de vrouw naar ons toe lopen. “Wat is er aan de hand?”, vraagt ze opgewonden, “ik ben zo geschrokken!”. “Ik heb toch niet te hard gereden of zo?”.

“Nee hoor!”, antwoorden Martin en ik bijna in koor. “Loopt u maar even mee”, zegt Martin en hij begint vanaf haar auto naar achteren te lopen. De vrouw volgt gemoedelijk. “Waar gaan we heen?”, vraagt ze na enkele meters. Martin en ik lopen gestaag door. “We moeten circa 20 meter achter uw auto staan mevrouw”, laat Martin haar weten. Als we zo’n 20 meter hebben afgelegd draaien we ons beide om. De vrouw blijft staan en kijkt ons vragend aan. “Zo!”, kijkt u nu eens even naar uw kentekenplaat”, zegt Martin. De vrouw werpt een vluchtige blik op haar kentekenplaat. “De letter achter de trekhaak”, vraag ik, “welke is dat?”. “Oh”, zegt de vrouw, “dat is gemakkelijk, dat is een R”. “Ja!?”, zegt Martin, “maar dat is omdat u het weet!”. “Een willekeurige voorbijganger kan niet in een oogopslag zien wat voor letter het is”, leg ik uit, “en dat is wel de bedoeling”. “Is het een afneembare trekhaak?”, vraag ik haar vervolgens. “Nee, was dat maar waar”, zegt de vrouw, “het is een vaste en hij is er door zo’n beunhaas opgezet”.

“Hmm.., dat is niet zo mooi”, laat Martin haar weten, “want een kentekenplaat moet tot op 20 meter aan de voor- en achterzijde duidelijk leesbaar zijn”. De vrouw zucht geërgerd. “Ik heb het hem nog zó gevraagd, maar hij zei dat het zo wel mocht”, zegt de vrouw ontstemt. “We hebben de trekhaak alleen maar nodig voor onze caravan”, zegt de vrouw. Als we terug lopen naar haar auto probeer ik een oplossing te bedenken. Bij de auto aangekomen zie ik dat de kentekenplaat nog wat omhoog zou kunnen. “Kijk mevrouw”, leg ik uit, “als de kentekenplaat een centimeter omhoog gaat, dan zal het waarschijnlijk nét goed zijn”. De vrouw bedenkt zich geen moment en opent de achterklep. “Volgens mij ligt er in deze doos een schroevendraaier”, zegt ze, terwijl ze de inhoud overhoop haalt. Martin verwijdert ondertussen, met de punt van zijn zakmes, behoedzaam de kentekenplaat .

Als de plaat eraf is komt de houder volledig in beeld. “Zie je wel, dat dacht ik al!”, zegt de vrouw, “twee kruiskopschroeven!”. Ze draait beide schroeven los, zodat de houder loskomt. In de bumper zit een veelvoud aan gaatjes en we kijken of er twee zijn die matchen als we de houder maximaal omhoog doen. Eentje komt overeen, maar de andere moet worden gemaakt. Met de punt van het mes maakt Martin voorzichtig een beginnetje in de bumper. De vrouw draait vervolgens de schroeven in de ontstane openingen, waardoor de houder in een mum van tijd terug is geplaatst. Na de kentekenplaat weer op zijn plek te hebben gedrukt lopen we met z’n drieën wederom 20 meter naar achteren. “Perfect leesbaar!”, roep ik enthousiast. “Krijg ik nu geen boete?”, vraagt de dame. “Nee hoor”, stel ik haar gerust, “het is immers ter plaatse gewijzigd”.

We geven elkaar een hand en nemen afscheid. Martin en ik stappen in onze Passat. In het voorbijrijden zwaait ze nog even, vriendelijk glimlachend. “Zo, die is verrekte handig met een schroevendraaier!”, zegt Martin. “Ja hoor”, beaam ik, “die staat haar mannetje wel!”.